Nadat ik die studie in 1967 had afgerond, in de Wouwse Plantage een baan als onderwijzer had gevonden, een jaar in militaire dienst was geweest, weer op dezelfde school terug voor de klas kwam, in 1972 getrouwd ben en we in Wouw gingen wonen, begon in 1978 het weer te kriebelen.

Ik ging spelen bij de plaatselijke vereniging de Shutteliers, een recreatieve vereniging. Op een gegeven moment ontstond bij die vereniging het idee om competitie te gaan spelen en zich dus bij de NBB aan te sluiten. Uit die tijd stammen mijn vroegste herinneringen aan The Flying Shuttle ’57. We nodigden een team van TFS’57 uit om tegen ons te spelen om vast te kunnen stellen of we een voldoende spelniveau hadden om die stap te kunnen zetten. Na de wedstrijd kregen we van Frans en Jenny Machielsen en Wim en Paula van Schaijk te horen dat het met het spelniveau wel goed zat.

Ook het Papermate marathontoernooi (de pen en het vulpotlood, die ik gewonnen heb, gebruik ik nog steeds) en de Bergse kan ik me nog goed herinneren. (Samen met o.a. Nel van Pul, Marlies de Kok en Albert Joossen heb ik een aantal jaren dit toernooi georganiseerd.)

Toen mijn dochter Yordi zo’n jaar of tien was, begon zij ook met badminton. Inmiddels speelde ik competitie bij Matchpoint in Hoogerheide. Al gauw werd duidelijk dat zij, om verder te komen, naar een grotere vereniging met meer begeleidingsfaciliteiten zou moeten overstappen. Het werd DINO. TFS’57 was nog een treetje te hoog. Daar hebben we beiden met veel plezier een paar jaar gespeeld. Echter ook bij DINO konden ze niet bieden wat er voor Yordi nodig was, namelijk een goede begeleiding en voldoende tegenstand. De keus was toen gauw gemaakt: het werd voor ons beiden TFS’57.

Het was inmiddels begin negentiger jaren. En… zoals het zo vaak gaat, als een vader een paar maanden tijdens de trainingen op de tribune naar zijn dochter zit te kijken, is er altijd wel een bestuurslid die dat ziet en denkt: "Wellicht wil die man wel iets meer voor de vereniging betekenen." En als die man dan moeilijk nee kan zeggen, is het pleit gauw beslecht en maakt hij al gauw deel uit van de jeugdcommissie. Eerst als lid, vervolgens als voorzitter en dus tegelijk lid van het bestuur.

Uit die periode staan o.a. de kampen in het Ossekopke in Rucphen, waarbij zoals op alle jeugdkampen een dag langer duurt dan de 24 uur die er echt in zitten, nog goed voor de geest. Evenals de uitstekende sfeer die er heerste binnen de jeugdcommissie. De ouders van de kinderen die er deel van uitmaakten, zetten zich voor de volle 100% in om het voor de jeugd een zo aangenaam mogelijk verblijf bij TFS’57 te maken. Niet voor niets dat bij de ALV vaak een lid of zelfs een echtpaar de knoedelprijs kreeg uitgereikt voor hun tomeloze inzet.

In 1992-1993 besluit Wout Langenberg om de voorzittershamer van de vereniging neer te leggen en ik word gevraagd die van hem over te nemen. Geen sinecure, vooral omdat Wout immers een TFS’57-man pur sang was, ik nog maar net bij TFS’57 kwam kijken en het een niet zo rooskleurige tijd was voor badmintonnend Nederland. Terugkijkend op die periode moet ik zeggen dat het een niet altijd gemakkelijke, maar toch goede tijd is geweest.

Als ik terugkijk op de vier jaar van mijn voorzitterschap dan worden die gekenmerkt door een periode van toenemende bloei van de jeugdafdeling. Halverwege de jaren negentig hadden we ongeveer honderd jeugdleden. Onder de uitstekendehoede van Riet Verbeek steeg het spelpeil zodanig dat een behoorlijk aantal mocht gaan deelnemen aan de districtstrainingen. Riet en Kees (van Loon) zorgden er zelfs voor dat er in Bergen districtstrainingen gegeven konden worden in de zaal aan de Meeussenstraat. We behaalden zelfs eerste plaatsen op de Brabantse kampioenschappen, namen deel aan de Nederlandse kampioenschappen, speelden toernooien in zowat heel Nederland en zelfs België. In Wijnegem speelden naast onze jongens en meisjes spelertjes uit o.a. Denemarken, Engeland, Duitsland en Frankrijk. Op een gegeven moment mocht TFS’57 zelfs een internationaal jeugdtoernooi in Tuinwijk organiseren.

Het organiseren van de deeldiploma’s heeft er mede toe bijgedragen dat de jeugdafdeling zo bloeide. TFS’57 was zelfs de eerste vereniging in Noord-Brabant die deeldiploma 6, het hoogste deeldiploma, mocht afnemen.

De inspanningen van de jeugdcommissie en vooral ook van Riet zorgden er voor dat niet alleen het peil van onze jeugdspelers steeg, maar ook de betrokkenheid bij de vereniging. Nog is het zo dat spelers uit deze eigen kweek nu een belangrijke rol spelen in de vereniging. Niet alleen als speler, maar ook als begeleider / trainer / lid van een commissie en van het bestuur.

Het teruglopen van het aantal recreatieve spelers met als gevolg dalende inkomsten. Wat er toe leidde dat het niet elk jaar lukte om de begroting sluitend te krijgen. Door het invoeren van een aantal maatregelen, zoals het profijtbeginsel en het steeds verfijnen daarvan, (verdere) automatisering van de ledenadministratie en de financië, het afstoten van onrendabele zaaluren, een voorzichtig financieel beleid lukte het steeds weer om de vereniging financieel gezond te houden. Het invoeren van het profijtbeginsel -kortom: wie haalt betaalt- heeft heel wat voeten in aarde gehad. Spelers die van meer faciliteiten van de vereniging gebruik maken betalen dan meer dan die dat niet doen. Met als te nemen hindernissen o.a. de acceptatie van een verschil in contributie, de trainingsbijdrage, een bijdrage in het shuttlegebruik en het vragen van een reiskostenbijdrage.

Het herzien van het meerjarenbeleid van de verschillende commissies en het opstellen van protocollen -bestuurlijke en organisatorische afspraken- hebben er toe geleid dat TFS’57 een goed georganiseerde en geoliede machine genoemd mag worden.

Als verenigingen minder leden krijgen, dan heeft ook de NBB daar financieel last van. De afdeling sport overdag werd daarvan de dupe. Deze leden hoefden geen lid te zijn van de NBB. Je zult begrijpen dat toen de NBB doorkreeg dat er een financieel melkkoetje ontstond door die ook lid te maken van de bond, bij veel verenigingen de rapen gaar waren. Geen enkele vereniging was bereid om hieraan gevolg te geven en gaf de sport overdag leden dus niet op bij de NBB. Pas toen de NBB controles ging uitoefenen, hoge boetes uitdeelde en dreigde met allerlei sancties moest ook TFS’57 met spijt in het hart overstag.

Als een hoofdtrainer meedeelt dat hij afscheid gaat nemen, slaat bij een bestuur de schrik om het hart. Goede en betaalbare trainers liggen niet voor het oprapen. Dat was ook het geval toen Koos den Hollander, als ik mij niet vergis in ’92, kenbaar maakte dat hij aan het eind van het seizoen zou vertrekken. Na flink wat zoekwerk werd een opvolger met vergelijkbare kwaliteiten gevonden, namelijk Fred Paling. Verandering van trainingsavond en daarbij ook het feit dat zijn onkostenvergoeding een flinke aanslag op het budget van de vereniging deed, zorgden er voor dat we van hem niet lang gebruik hebben gemaakt. Stan de Lange volgde hem op.

Competitie spelen in één zaal. Een aantal jaren is het zo geweest dat TFS’57 in twee zalen, Gageldonk en Tuinwijk, competitie moest spelen. Het heeft heel wat voeten in aarde gehad om het zo ver te krijgen dat overleg met zusterverenigingen en de gemeente er toe leidde dat Gageldonk de thuisbasis voor TFS’57 werd en nog steeds is.

En last but not least, zoals Wilfried in zijn toespraak in januari ook aangaf, het relatieve gemak, waarmee je steeds voldoende vrijwilligers kon vinden om het bestuur, de commissies en de organisatie van toernooien en evenementen te bemannen. Dit zorgt er mede voor dat TFS’57 een vereniging is, die zichzelf heeft gemaakt tot wat het nu is en die daarom met recht trots mag zijn op zichzelf.