Allereerst werd duidelijk waarom het The Flying Shuttle ’57 werd als naam. Er was namelijk een vereniging die zich The Flying Shuttle ’58 noemde en onderscheid moest er zijn. Dat de roots liggen op het pleintje van de Heilig Hartkerk was al wel bekend. Een aantal jongens van 16-18 jaar speelde daar en werden door kapelaan Don uitgedaagd een clubke op te richten. Ze speelden op zondag in de gymzaal bij de Fatima en de Pius X school. Een baantje. De namen zijn tot verrassing van Cees te vinden op de eerste ledenlijst: Eddy Beck, Piet en Cees Roelands, Mart Broekhoven, Frans Philipsen, Cees Theuns, Corné en Hennie Venselaar en Tonnie Spaapen. De groep kreeg les van Ruud Flesch. De contributie werd aan de zaal betaald. Ruud Flesch gaf gratis training. Hij speelde al een tijdje bij Happy Smashers.

Er werd gespeeld met houten rackets die nog in een spanner zaten. Na het spelen moest het racket daarin worden gedaan en stevig aangedraaid zodat het niet krom kon trekken. Toen het later wat serieuzer werd kwamen trainers als Tony en Herma van Dalm en Bob Saliha Een aardig verhaal was dat men graag nieuwe rackets wilde. Men koos voor de Steelfighter. De enige sportzaak in Bergen op Zoom was van Blaricum, maar die kon het niet leveren tegen die aantallen en die prijs. Dus toog men naar Den Haag bij de firma Dekker. Al het geld voor 9 rackets werd ingezameld en de gebroeders Roelands stapten in de trein om te gaan kopen. Men informeerde naar de prijs van een racket.

Toen vroeg men hoeveel drie kosten. De prijs werd minder. Toen men naar grotere aantallen informeerde, werden de ogen van de verkoper steeds groter en de prijs steeds lager. Men sloot af op 9 rackets en tegelijkertijd werden de bespanningen er gratis bij onderhandeld. Na enkele uurtjes kon alles mee naar Bergen worden genomen en hield men zelfs nog geld over. Ook speelde men met veren shuttles, die goed geprepareerd moesten worden. Dat betekende natmaken en de veren vaak rechtop zetten. En natuurlijk er niet teveel kapot slaan. In de begintijd hield men ook een ouderavond in de zaal. Dekkers was bereid er rackets en andere sportartikelen uit te stallen. Pikant was dat jongens en meisjes er door elkaar speelden, wat in de ogen van geestelijk adviseur kapelaan Don helemaal niet kon. Cees was dus de eerste voorzitter en later werd dat Mart van Broekhoven die weer werd opgevolgd door zijn neef Fons (zonder van) Broekhoven. Enkele jaren later stopten er veel jongens vanwege studie en raakte de groep in verval. Kapelaan Berende pakte in 1959 de zaak weer op.

De contributie was een gulden vijftig in de maand en er was een oom van Eddy Beck die sponsorde elke maand 10 gulden. De zaalhuur was vijf gulden vijftig per keer. In de boeken is terug te vinden dat de statuten pas in 1959 gedeponeerd zijn bij notaris Fikkers. In de begintijd moesten er in de zaal nog wat voorbereidingen gedaan worden. De ringen werden zo hoog mogelijk opgetrokken. Een men weet nog te verhalen over zalen waar de shuttle soms over dwarsbalken heen geslagen werd. Onder elkaar werden de partijen verdeeld. Iedereen kwam zo aan de beurt. Vergaderen deed men niet zoveel. Vaak werd in de kleedkamer het een en ander geregeld. Pas in de tijd van Fons was er een eerste jaarvergadering. Tot verrassing van Cees en Mart en Frans kwam boven tafel dat er ballotage was. Als er vier open plaatsen waren en meerdere gegadigden werden alle namen op een briefje geschreven en mocht men stemmen wie wel en geen lid kon worden. Vaak werd gekozen op basis van vriendschappen en talent.

De groep was in de begintijd erg hecht wat bleek uit het feit dat men ook samen op vakantie ging. Onder andere naar Dishoek, maar ook een uitstapje naar Antwerpen. Men ging natuurlijk met de fiets en had speciale witte petjes op. Vanzelf werd er regelmatig te veel gedronken. Een bekend spelletje was boeren. Het was een kaartspel. De eerste winnaar moest bestellen, de tweede winnaar mocht proeven, de derde winnaar moest het leegdrinken en de vierde winnaar (of eigenlijk verliezer) moest betalen. In die begintijd was het meer een gezelligheidsvereniging dan een serieuze sportvereniging. Men herinnert zich feestjes bij Coppenolle in de Potterstraat (waar nu de beddenzaak is) Pas met de komst van Fons werd het allemaal wat serieuzer. Toen werd er ook voor het eerst een gemengd dubbel gespeeld.

Over toernooien herinneren de heren zich nog het volgende: in 1958 werd deelgenomen aan een toernooi in Aarle Rixtel. Mart huurde een auto, want hij had een rijbewijs. Volgepropt werd gereden en deelgenomen. Op betonnen ondergrond, waar men zelf de lijnen van de velden moest plakken. Een aantal veilingkistjes werd gebruikt om zich achter om te kleden. In 1958-1959 werd voor het eerst deelgenomen aan de competitie. In 1959 werd deelgenomen aan het Philipstoernooi en in 1961 werd voor het eerste gespeeld om de Bergse kampioenschappen.

Naar verloop van tijd ontstond er ook een meisjesgroep op de zondagmorgen. Strikt gescheiden en een mix spelen was helemaal uit den boze. Namen uit die begintijd waren: Ineke Nooteboom, zusjes Koot, Nettie Timmermans, Ank van Broekhoven (de Bie), Lia Kuypers, Nelleke Spaapen (van Egeraat), Sanny Groffen. Het was niet verwonderlijk dat er koppeltjes ontstonden zoals Cees en Annie en Eddy Beck en Lia Kuypers. Aardig is het verhaal dat Sanny de vrouw van Cees een nieuw racket had gekocht bij van Blaricum. Ze zwaaide er enthousiast mee op haar fiets. Prompt kwam ze er mee tussen haar wielen. Het was flink beschadigd. Cees heeft het toen gemaakt, maar de eerste de beste keer sloeg Sanny het finaal kapot.

Mart van Broekhoven is misschien wel de beste speler uit de begintijd. Hij werd al snel A-speler. Samen met Peter Kooy, Bob Saliha, Fons Broekhoven en Martin Venselaar waren zij de top. Later is hij gaan tennissen. Mart is verder zeer actief geweest in het verenigingsleven. Hij richtte enkele verenigingen op, was lang een zeer goede speler en trainer. Van hem is de uitdrukking: Badminton is zeker geen sport voor luie tennissers. Zowel Mart als Cees zijn hun hele leven globetrotters geweest die veel van de wereld hebben gezien. Via hen wordt nog eens bevestigd dat in de begintijd badmintonners vaak kwamen uit het leger of een Indonesische achtergrond hadden. Mart tennist nog steeds en Cees heeft het even met squash geprobeerd. Mart heeft boven nog steeds zijn Morgan Frost racket liggen. Cees moet lang nadenken. Zijn vrouw draaft naar boven om terug te komen met een squash racket. Helaas de rackets zijn aan de kleinkinderen gegeven.

Later werden bij een drankje de verhalen steeds groter en machtiger. Er ontstond een Babylonische spraakverwarring tussen vijf mannen en een vrouw met gesprekken op meerdere fronten. Verhalen die ook gingen over de soos zoals Parcival. Er werd ook gesproken over de mensen die niet meer leven zoals Cees Wouts, Eddy Beck en kapelaan Don. Maar ook over de wijk Oost met zijn Spokebaantje, de villa van Sitzen, de wielerbaan op de Raayberg, de kale vlakte ervoor en de Cort Heiligerskazerne. Tenslotte werd gefilosofeerd over de werkelijke dag waarop The Flying Shuttle ’57 is opgericht. Er circuleren twee data: 15 of 18 januari. Als het maar een zondag is, zegt Cees bij afscheid. Helaas 15 januari 1959 is een dinsdag en 18 januari is een vrijdag. Ik ben bang dat het altijd onzeker zal blijven.